Utrechtse daklozen 5 jaar gevolgd door onderzoeker: 'Er zijn gevallen dat het goed is gekomen'

© Eveline van Egdom / Straat Consulaat
Utrecht - Vijf jaar lang volgde onderzoeker Nienke Boesveldt van de Universiteit van Amsterdam een groep van 69 Utrechtse (ex-)dak- en thuislozen. Ze onderzocht de gevolgen van de daklozenaanpak van de gemeente Utrecht. Hoe zijn de Utrechters in deze situatie beland? Waar lopen ze tegenaan? Hoe kunnen ze beter geholpen worden?
Boesveldt en haar team zagen veel positieve ontwikkelingen. Maar er overleden ook vijf mensen tijdens het onderzoek. Met name één sterfgeval springt Boesveldt in het oog. "Deze man, we hebben hem in het onderzoek het pseudoniem Garry gegeven, leefde lang op straat. Hij sprak de taal niet en had diabetes. Dat bleek uit een medische controle toen hij in beschermd wonen terechtkwam. Hij lag twee dagen dood in zijn eigen huis toen hij gevonden werd, hij was niet op komen dagen bij de huisarts."
Boesveldt bracht de laatste weken van Garry in kaart. "Als doodsoorzaak werd een maagbloeding gegeven, dat strookte niet met zijn ziektebeeld, zei onze arts. Hij bleek zijn medicatie niet goed te nemen, at niet goed. Bij zijn dagbesteding gaf hij aan last van klachten te hebben. Wat is er met dat signaal gebeurd? Je kan samen met hem de huisarts bellen, iemand had met hem mee kunnen gaan. Hij vergat veel, kwam afspraken niet altijd na. Dat kwam mogelijk omdat het wat minder met hem ging."
"Er was een vermoeden dat Garry meer zorg nodig had en dat er sprake was van een lichte verstandelijke beperking", vertelt Boesveldt. Maar dat werd nooit onderzocht. "Dat onderzoek zou niet mogelijk zijn omdat hij de taal niet machtig was. Wat doe je als iemand de taal niet spreek? Dan haal je er een tolk bij. Daardoor is hij mogelijk een hogere zorgindicatie misgelopen, was hij niet uitgestroomd of had hij in een veel meer beschermde omgeving gewoond. Hij wilde graag zelfstandig wonen, maar daar moet je zelf je vraag stellen. En dat deed Garry niet."

Positieve signalen maar aantal daklozen neemt toe

Met de beschuldigende vinger wijzen wil Boesveldt niet. "Maar hier had serieuze somatische zorg geleverd moeten worden, de behandeling van een chronische aandoening. Maar dan zie je dat er een onvoldoende gespecialiseerde ketting aan het werk is. Er zijn veel momenten geweest waar meer gedaan had kunnen worden. Dan had wellicht voorkomen kunnen worden dat hij dood in zijn huis gevonden wordt."
Een conclusie na het traject van vijf jaar is dat er ook veel goed gaat. Een groot gedeelte van de groep heeft een permanent onderkomen of is onderweg naar een woning. "Dat is indrukwekkend positief. Het is goed om te zien dat zij woningen aangeboden krijgt. Het aantal daklozen neemt helaas toe, ook in Utrecht. Ons onderzoek laat duidelijk zien hoe zwaar de weg van herstel uit dakloosheid is. Het laat daarmee ook zien hoe belangrijk het is om dakloosheid te voorkomen."

Hernieuwd contact met familie als stimulans

Het onderzoek startte in 2019 om uit te zoeken waarom ex-daklozen een terugval beleven. De groep werd elk jaar geïnterviewd. Ook spraken Boesveldt en haar team hulpverleners uit de omgeving. Alles om zoveel mogelijk informatie te verzamelen over de Utrechtse aanpak van het probleem. Eén van de moeilijkste aspecten bleek afscheid van het 'oude' netwerk en het herstel van contacten met bijvoorbeeld familie.
"We kwamen er in het tweede jaar achter dat mensen vaak hun kinderen niet meer zien. Ze schamen zich, er is veel gebeurd. Dan zeggen wij: zorg dat die contacten goed hersteld worden, desnoods in een begeleide omgeving", vertelt Boesveldt. "Er zijn gevallen waar dat goed is gekomen, dan hebben ze een woning met een extra kamer voor de kinderen gekregen. Het kan een belangrijke stimulans zijn voor het herstel."
Het klinkt logisch, maar in de praktijk blijkt dat er lang niet altijd contact is met de naasten van de cliënt. "Er zijn vaak hulpverleners die zeggen dat ze wel samenwerken met de omgeving van de cliënt. Maar dan blijken ze geen nummer te hebben van iemand uit de kennissenkring. Dat is normaal in de maatschappelijke opvang, maar er wordt nooit gedacht dat het met deze mensen ook kan terwijl dat wel zo is. Je kan er dakloosheid zelfs mee voorkomen."
Probeer ex-dakloze te zien als een burger van de stad in een uitdagende situatie met een urgent woonprobleem
Dakloosheidonderzoeker Nienke Boesveldt
Iemand die het daklozenbestaan achter zich wil laten, moet alternatieven hebben voor dat oude netwerk. "Nieuwe netwerken en nieuwe vriendschappen. Daar moeten ze op voorbereid worden: je kan 'nee' zeggen tegen je oude drugsdealer of je criminele familie. Maar wat doe je daarna? Als er dan slechts eenzaamheid overblijft, zijn deze mensen kwetsbaar om terug te vallen in risicovol gedrag en uiteindelijk herhaalde dakloosheid."
De schaamte over het eigen falen is vaak groot en daar kan beter op ingespeeld worden in Utrecht, schrijft Boesveldt in haar aanbevelingen. Bij begeleiders, wooncorporaties, eerstelijnszorg en huisartsen dient aandacht te zijn voor de vooroordelen over (voormalig) daklozen. "Zij zien zichzelf als iemand met wie alles is misgegaan. Deze mensen hebben een werkend bestaan gehad met een gezin. Ze slapen vervolgens bij vrienden en dat gaat dan ook mis. Stap voor stap zijn ze hun rollen kwijtgeraakt. Om dan door die hoepel te gaan en jezelf te zien als iemand die een vraag moet stellen bij de daklozenopvangen. Dat doet veel met je eigen identiteit en hoe je jezelf ziet.

Vraaggericht werken werkt niet

Fysieke mishandeling op jongere leeftijd kwam veel voor in de groep die Boesveldt onderzocht. "Dat wordt vaak gekoppeld aan verslaving, het is heel schadelijk. Als je daar je vinger op kunt leggen in een screening, kun je al vroeg signaleren wie meer aandacht nodig heeft." Een tweede karaktertrek die Boesveldt zag terugkomen was de schroom om aan de bel te trekken. "Deze mensen stellen niet uit zichzelf een hulpvraag. Terwijl de buurtteams die met voormalig daklozen in Utrecht werken, vraaggericht werken. Dat is vaak helemaal niet passend."